Cauchois

Oorsprong:
De Cauchois is een specifiek Frans ras afkomstig uit het Land van Caux, streek in Normandië, ten noorden van de Seine, waar het reeds gekweekt werd in de 17e eeuw.
Algemeen beeld:
Duif met grootte boven het gemiddelde. Het lichaam mag niet te hoog opgericht gehouden worden zoals bij de kroppers. In natuurlijke houding mag de hoek tussen het lichaam en de grond maximum 45° bedragen. De lengte van de punt van de bek tot het uiteinde van de staart gemeten, bedraagt bij gestrekte toestand 42 a 46 cm. Zijn type en stand moeten elegant blijven. Zijn gewicht varieert tussen 700 en 800 gram bij de doffers en 650 tot 700 gram bij de duivinnen.
Kop:
Langwerpig en middelzwaar, in profiel goed afgerond zonder hoekige delen, gewelfd voorhoofd. In vergelijking met het lichaam is de kop klein.
Bek:
Middelgroot, bijna recht, breed aan de basis, lengte van 3,5 cm. Donker gekleurd bij de variëteiten met blauwe grondkleur en licht bij de zilvers en geelgeschubden. De neuswratten zijn wit, glad, weinig geaccentueerd en langwerpig.
Oog:
Erg levendig oranje-rood.
Oogrand:
Redelijk smal, een regelmatige cirkel vormend, blauwachtig grijs bij de variëteiten met blauwe grondkleur, rozig-geel bij deze met zilver grondkleur.
Hals:
Eerder kort en zeer stevig aan de basis. De aanhechting aan de kop is eerder fijn. Sommige exemplaren hebben neiging de krop te blazen zoals de kroppers. Deze eigenschap is geen fout, maar mag echter niet overdreven worden. Zij laat één van de aantrekkelijkheden van het ras, de witte slab, tot volle waarde komen.
Borst:
Goed gerond en vooruitstekend, het borstbeen erg recht.
Rug:
Breed, evenwel zonder te overdrijven teneinde de duif niet te zwaar te maken en te schaden
aan het totaalbeeld. De ruglijn is eerder bol dan recht, zonder echter een bochel te vormen.
Stuit:
Bij alle variëteiten wit, zonder uitzondering.
Vleugels:
Redelijk lang, rustend op de staart zonder te kruisen. Vleugelspanwijdte bij de doffers 85 a 90 cm en 80 a 85 cm bij de duivinnen.
Staart:
Breed zonder open te gaan, ongeveer 15 cm lang, goed in het verlengde van de rug. De 12 staartpennen zijn 4 cm breed.
Poten:
Middellange benen, goed in verhouding tot het totaalbeeld van de duif. Sterke voetwortels en tenen, onbevederd, karmijnrood. Bij exemplaren die het gemiddelde gewicht overschrijden komen op de voetwortels en tenen soms enige kleine pluimpjes voor. Deze eigenschap vormt geen zware fout, vooral als de duif dit compenseert door grote kwaliteiten.
Zwarte nagels bij de variëteiten met blauwe grondkleur en bij de eenkleurig zwarten en witroze bij de variëteiten met blauwzilver grondkleur en eenkleurig rood en eenkleurig geel.
Gevederte:
Lang en zacht, wat de duif zwaarder doet lijken dan ze in werkelijkheid is. De pluim is fijn en komt gemakkelijk los als het dier niet met voorzichtigheid wordt genomen.
Kleur en tekening:
De Cauchois komt voor in 3 variëteiten: geschubd, geband en éénkleurig. De 3 variëteiten mogen met of zonder witte slab voorkomen.
De geschubden komen voor in 5 kleurslagen:
1. Roodgeschubd (genetisch: blauw bronsgeschubd)
2. Geelgeschubd (genetisch: blauwzilver sulphurgeschubd)
3. Rozegeschubd
4. Blauw witgeschubd
5. Blauwzilver witgeschubd
De gebanden komen voor in 7 kleurslagen:
1. Blauw roodgeband (genetisch: blauw bronsgeband)
2. Blauw rozegeband
3. Blauw witgeband
4. Blauwzilver geelgeband (genetisch: blauwzilver sulphurgeband)
5. Blauwzilver witgeband
6. Roodzilver
7. Geelzilver
De éénkleurigen komen voor in 3 kleurslagen:
1. Rood
2. Geel
3. zwart
Fouten:
Te weinig omvang - te licht - te zwaar en lusteloos dier - slechte tekening schubbing -schubbing te dun gezaaid - schubbing te geplakt - zwarte zoming te zwaar en uitlopend in de schubbing - zwarte pepering in de schubbing - aanzet tot derde band bij de gebanden - te matte kleur - zwart in de kleur - kleurspatten, rood of geel naargelang de variëteit in halsgevederte -te licht oog, uitgelopen pupil, donker oog - slechte buikkleur, te wit, zwarte streping - witte manchetten - wit veerveld aan de aars of buik - witte veren in de staart of vleugels - wit aan de basis van slagpennen en/of staartpennen - abnormale slab te groot, te klein, te smal, omgekeerd, gesplit, éénzijdig - slechte vleugelhouding hangend, gekruist, stulpvleugels -witte nagels bij eenkleurig zwart en kleurslagen met blauwe grondkleur - Wijnrood op de borst en/of de flanken bij duiven met blauwe grondkleur - Oker op de borst en/of de flanken bij duiven met blauwzilver grondkleur - kleur van de schubbing doorlopend in de hals - te weinig kleurreserve in de slagpennen bij de geschubde variëteiten.
Ringmaat: 10 mm

Puntenschaal:

  Geschubden met slab Geschubden zonder slab Andere kleurslagen met slab Andere kleurslagen zonder slab
Algemeen voorkomen, type en stand 20 20 20 25
Kop, bek, hals 5 5 5 5
Oog 5 5 5 5
Kleur 20 20 20 30
Regelmatigheid van de schubbing 15 15    
Buikkleur 10 10 10 10
Slab, vorm en regelmatigheid 15   15  
Stuit 5 20 5 20
Vleugels en staart (vorm) 5 5 5 5
Regelmatigheid van de banden     15  
  100 100 100 100